Blog

Trotterborden als gevaar voor de democratie

Trotterborden als gevaar voor de democratie

Het gaat niet goed met onze democratie. Nee dit wordt geen stuk over de verruwing van de campagne, noch over de leegte van de retoriek of het lage opkomstpercentage. Dit stuk gaat ook niet over de uitslag, de vele partijen die meedoen en het lastige vraagstuk van representatie. Nee dit stuk gaat over trotterborden. Of beter gezegd, waar ze voor mij voor staan.

Wat zijn trotterborden? Dat waren die grote VOORBEDRUKTE borden met alle verkiezingsposters er op (zie foto hierboven van Vers Beton). Het gaat me niet om de esthetiek er van, maar om wat het zegt over de democratie dat twee partijen (VVD en PvdA) menen dat er opgetreden moet worden tegen de bordenoorlog die in Rotterdam woedt. Want zo valt te lezen in artikel bij de NOS hierover ‘dan zou de stad netjes blijven’. Gelukkig hield niemand zich er zo’n beetje aan en hing de hele stad uiteindelijk toch nog vol. Alleen GroenLinks (slecht voor het milieu en een rommeltje) en de SP (het levert niet anders op dan ergernis) deden niet mee. Waarom mag de stad toch nooit een beetje een rommeltje zijn? En als er toch niet netjes gedebatteerd wordt, waarom moeten we dan wel de schijn ophouden in de buitenruimte? zijn enkele gedachten die bij me te binnen schieten. Maar mijn ergernis gaat dieper. Het heeft te maken met het werk wat een democratie terecht van ons vraagt. Het is geen algoritme wat uit zichzelf tot een oplossing komt, noch iets wat we steeds verder kunnen uitbesteden. Waar het voor mij dus symbool voor staat, is dat we steeds minder werk willen steken in de democratie en dat het allemaal zo gelikt moet zijn.

Of nou ja, dat is niet precies waar ik me aan stoor, maar ik kan er niet echt de vinger op leggen. Of mijn eigen woorden voor vinden. Maar gelukkig schieten er wel gelijk woorden van anderen in gedachten die wijzen of waar mijn irritatie vandaan komt.

Het eerste waar ik aan moet denken is een beeld wat Mieke Moor oproept in een bundel over de zoektocht van een organisatiefilosoof naar woorden om uit te drukken wat ze tijdens een jaar lang verblijf als filosoof-in-residence heeft ervaren. Ook zij kon het niet alleen, maar verkreeg, zeker achteraf gezien een belangrijke impuls van een artikel van Roos van der Lint in Metropolis M. Van der Lint wijst op een ‘nieuwe’ ontwikkeling in de kunst, waarin bewust gemorst, geknoeid, verspild en gevlekt wordt. En dan schetst ze een beeld wat in mijn hoofd schiet als ik aan trotterborden en wild geplakte verkiezingsposters denk. Ze vertelt ‘hoe bijvoorbeeld eerst het schoolbord met z’n stoffige krijtjes, en daarna ook het steriele whiteboard met hoogstens afgevende stiften, plaatsmaakte voor de brandschone powerpointpresentatie: “wat gewonnen werd is hygiëne, schone handen, wat verloren ging de zinnelijkheid. Je kunt niet uitschieten op een digitaal formulier, en een worddocument zal nimmer vergelen. Wat in rap tempo naar de achtergrond verdwijnt, is de menselijkheid”‘ (Mieke Moor, p. 99). En is dat niet wat er gebeurd als we de democratie uitbesteden aan trotterborden. Verliezen we daarmee de zinnelijkheid en de menselijkheid. Scheef gehangen posters, over elkaar plakken, maar ook de fysieke daad van het hoog, hoger, hoogst plakken, midden in de nacht. Een beetje stiekem, kijken of je nog ergens iemand een loer kan draaien. Heeft een levende democratie dat niet ook nodig?

Ja, dat is het! Democratie is meer dan kiezen. Het moet leven. We moeten de democratie beleven, ervaren. Wacht: democratische ervaringen. Daar had iemand de afgelopen jaren een paar keer wat over te zeggen. Een van de denkers over bestuur die ik hoog heb zitten, Albert-Jan Kruiter was het. Wat quotes uit twee stukken van onder andere zijn hand (hij schreef ze met anderen, maar promoveerde op de Tocqueville en de democratische ervaring):

“Alexis de Tocqueville definieerde dat als de kern van de democratische samenleving: het opofferen van kortetermijneigenbelang voor een gezamenlijk belang. Zo ontstaat een democratische ervaring tussen burgers door het gezamenlijk oplossen van problemen. Die mogelijkheid van de democratische ervaring is door de verzorgingsstaat onmogelijk gemaakt  (…) Juist in de alledaagse ervaring, dicht bij huis, ontstaat de democratische ervaring. Immers: daar ontstaan gezamenlijke problemen voor mensen. Daar hebben zij zorg nodig, onderwijs, een buurthuis, een buurtsuper en gezelligheid. En daar kunnen burgers hun gezamenlijke problemen oplossen. Dat wil zeggen: als ze ruimte krijgen om daar zelf vorm aan te geven“ (Cuyvers, Kruiter en Neuteboom).

Er zijn generaties opgegroeid die feitelijk zelden of nooit onderling voorzieningen van solidariteit geregeld hadden en dus ook zelden de waarde van solidariteit ervoeren. (…) Alleen in de alledaagse ervaringen van het oplossen van publieke problemen kunnen we dat (weer) leren. Politici, wetenschappers en vakbondsleiders vertellen weliswaar regelmatig hoe belangrijk solidariteit is, maar ervaring is altijd urgenter en indringender als les dan cognitieve overdracht.  (RMO, p. 64)

De posteroorlog is onderdeel van de democratische ervaring. Het is een manier voor mensen om deel te nemen aan de verkiezingen anders dan als kiezende of gekozene. Die directe betrokkenheid, zo drukt Kruiter in deze en andere stukken steeds weer uit, zijn we de laatste jaren kwijt geraakt. Omdat we dachten dat het op een afstand plaatsen een beter, efficiënter, goedkoper, effectiever product zou opleveren. En steeds komen we weer bedrogen uit – of het nu gaat om schulden, dakloosheid, vervoer-op-maat, etc. – steeds blijkt een ‘professionele’ oplossing de dood in de pot voor deze collectieve opgaven.

Democratisch opvoeden

Dat collectieve moment, dat doet een derde belletje rinkelen. Vorig jaar op Terschelling las ik een boek van Biesta, waarin onder andere een hoofdstuk gewijd is aan de relatie tussen onderwijs, opvoeding en democratie. Een zeer rijk hoofdstuk waarin onderscheidingen, invalshoeken en concepten elkaar in hoog tempo opvolgen. Belangrijkst uitgangspunt is dat hij zich verzet tegen een individualistische kijk (gericht op kennis, vaardigheden en houdingen van democratische burgers die op basis daarvan dan hun eigen persoonlijke keuze zouden maken uit het aangebodene) en een instrumentalistische insteek (onderwijs als instrument om democratisch burgers voort te brengen). Hoe waardevol op zich ook, is het Biesta te arm. Voor het waarom raad ik je vooral aan het boek te lezen. Wat hij er naast of bovenop plaatst is waar het me hier om gaat: een sociale visie op democratie geïnspireerd op Dewey en een politieke visie geïnspireerd op Arendt. Hoezeer ik ook hou van Arendt laat ik haar nu buiten beschouwing. Haar ideeën over handelen en democratie vragen meer aandacht dan ik nu hier even kan schenken. Ik blijf daarom bij Dewey. Biesta, die promoveerde op het werk van Dewey, stelt dat voor hem we pas worden worden wie we zijn door deelname aan sociale praktijken. De mens gaat niet vooraf aan, maar ontstaat in de actieve deelname aan sociale praktijken. Daarover schrijft hij even verderop:

De soort intelligentie die aan de orde is in het vormgeven van de condities die subjectiviteit vormen is sociale intelligentie. Sociale intelligentie is zowel een voorwaarde voor als het resultaat van deelname aan intelligente samenwerking. Carr en Hartnett leggen dit als volgt uit: ‘Door deel te nemen aan dit proces ontwikkelen individuen de intellectuele disposities die hen in staat stellen om zowel zichzelf als hun sociale instituties te reconstrueren op manieren die bijdragen aan de realisatie van hun vrijheid en de hervorming van hun samenleving’ (Carr & Hartnett, 1996, p. 59). En dit is precies waar het voor Dewey om draait in de democratie, omdat volgens hem in de democratie ‘iedereen die beïnvloed wordt door sociale instituties deel kan hebben aan het ontwikkelen en onderhouden van die instituties. Het feit dat iedereen in wat hij of zij graag doet en in hoe hij of zij iemand wordt, beïnvloed wordt door instituties, en dat daarom in een democratie iedereen een
stem moet hebben in de vormgeving van die instituties, zijn de passieve en actieve zijde van hetzelfde feit’ (Dewey, 1987b, p. 218).

Ja iedereen moet passief en actief deel kunnen nemen aan de democratie. Moet er zelf moeite in steken. En als we dit niet doen, worden we daar minder menselijk van, of althans, worden we minder tot democraat gevormd. Biesta gaat het in dit hoofdstuk steeds om de vraag hoe we democraten worden. Voor hem gaat het dan niet om de juiste kennis, vaardigheden en houding, maar om de ruimte om democratisch te handelen. En laat posters plakken nu een wezenlijk onderdeel daarvan zijn.

Is het niet wat overdreven om aan het plaatsen van trotterborden zoveel democratisch gewicht toe te kennen. Misschien wel. Maar tegelijkertijd helpt het uitvergroten van zo’n symptoom door middel van de woorden van anderen wel om het belang van de actieve vormgeving van en deelname aan de democratie voor het voetlicht te brengen.

Verwijzingen

Peter Cuyvers, Albert Jan Kruiter en Maarten Neuteboom (2014), Decentralisaties vragen vertrouwen in lokale democratie, Bestuursforum, oktober 2014, p. 30 URL:   (bezocht op 23-3-2018)

Mieke Moor (2017), Werken in het wit. Een jaar filosoof-in-residence in het Radboudumc, Utrecht, Uitgeverij Ijzer

Gert Biesta (2017), Het leren voorbij. Democratisch onderwijs voor een menselijke toekomst, Culemborg, Uitgeverij Phronese

RMO (2013) Rondje voor de publieke zaak. Pleidooi voor de solidaire ervaring, Den Haag, RMO