Blog

Kiezen is een keuze – en niet perse de beste optie

Kiezen is een keuze – en niet perse de beste optie

Mijn dochter is een leesfanaat. Alles waar letters op staan wordt verorberd. Ze is dan ook een groot fan van de bibliotheek. Probleem is alleen dat ze steeds minder graag er mee naar toe gaat. Niet omdat het geen prettige plek is, maar door de beperking die de bibliotheek heeft ingesteld qua aantal boeken wat je per keer mag meenemen. Acht was sinds we er kwamen de standaard en daar kon ze net mee leven. Het was een van haar eerste ervaringen met keuzestress. Wat te kiezen als er zoveel beschikbaar is? Neem je wel het goede boek mee? En waarom eigenlijk maar acht boeken? Die vragen kon ik altijd nog wel pareren: iedereen moet kans hebben op boeken; hoeveel kan je er nu helemaal tegelijkertijd lezen (als kind meer dan volwassene zie ik elke keer); en we kunnen toch elke 1,2,3 weken weer terug. Maar sinds een jaar weigert ze mee te gaan. Want de bibliotheek heeft de druk verhoogd. Of liever gezegd, ze heeft de standaard verlaagd. Met acht boeken kwamen we bij de scanbalie. Na lang zoeken, of eigenlijk vooral schiften. En toen moest daar toch nog van 2 extra boeken afscheid genomen worden. Een boeken-trauma. Waarom wordt vaak een aantal jaren nadat er meer keuze is gekomen – zo zijn er inmiddels bij de bibliotheek 3 soorten abonnementen – de oorspronkelijk standaardkeuze verlaagd? Of anders gezegd, waarom wordt wat ooit de standaard was, na verloop van tijd in een keuzeregime, iets waar ik extra voor moet betalen? Die vragen dringen zich steeds vaker aan me op. Zo kan ik inmiddels bij de NPO kiezen uit NPOstart, NPOstartplus en NLzietvoor het terug en vooruitkijken van programma’s. Moet je je bij de NS worstelen door een veelheid aan mogelijke keuzemogelijkheden voor kortingskaarten. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Het trauma van mijn dochter is zo een opening voor deze beschouwing. Als ouder trek ik me haar persoonlijk leed natuurlijk sowieso aan, maar dat rechtvaardigt nog niet dat ik er een stuk over schrijf. Tenzij haar leed staat voor iets groters. Als het symptoom is van een maatschappelijk fenomeen. En dat is het, want kiezen is alomtegenwoordig. Kiezen is geen keuze, maar moeten we keer op keer doen. Dat komt omdat wij in een marktsamenleving wonen. Waar kiezen centraal wordt gesteld ontstaat al snel een markt. Of althans de twee hangen niet noodzakelijk, maar wel praktisch vaak samen. De laatste jaren is er veel kritiek verschenen op ‘de markt’. Die ga ik hier niet herhalen. In plaats daarvan onderzoek ik het ‘kiezen’.

Ten eerste is het maar de vraag hoe we keuzes maken. Of anders gezegd, of we wel keuzes maken zoals veel economische theorieën veronderstellen. Daarvoor schakel ik de hulp in van Will Tiemeijer. Hij is als wetenschappelijk medewerker verbonden aan de WRR, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. In zijn werk combineert hij psychologie, filosofie en politiek. De laatste jaren houdt hij zich intensief bezig met vraagstukken rondom de (psychologie) van het kiezen en de relevantie van gedragswetenschappen voor beleid en politiek. In zijn boek ‘Hoe mensen keuzes maken. De psychologie van het beslissen’ brengt hij die inzichten samen en ondergraaft daarmee het mensbeeld van de mens als rationele beslisser.

“In de eerste decennia na de oorlog gingen veel wetenschappers ervan uit dat mensen kiezen in overeenstemming met het expected utility model (EU-model). Dit model postuleert dat mensen van elke beschikbare optie bepalen welke voor hen relevante opbrengsten daarmee zijn verbonden, hoe waarschijnlijk het is dat elke opbrengst wordt gerealiseerd, en welke waarde zij aan elke opbrengst toekennen. Op basis hiervan berekenen ze het verwachte nut van elke optie. Vervolgens kiezen ze de optie die het hoogste scoort. (Tiemeijer, p. 87). De mens als homo economicus. Uit (sociaal-psychologisch) onderzoek blijkt echter steeds vaker dat dit een onhoudbaar zelfbeeld is. Vooroordelen en slimme marketing doorbreken onze rationaliteit. Gewoontegedrag blijkt veel sterker te bepalen wat we kiezen, evenals wat anderen om ons heen kiezen. Ook hebben we vaak helemaal geen tijd of zin om na te denken over onze keuzes. En de meeste redenen die mensen geven voor gedrag zijn rationalisaties achteraf. Dat maakt ze niet vals, maar maakt wel dat we deze niet als verklaring voor bepaald gedrag kunnen gebruiken. De mens is niet zozeer een rationeel brein, maar eerder de optelsom van een irrationeel, automatisch, (deels) willoos en sociaal brein (de titels van de diverse hoofdstukken). Dit veelvormige brein maakt dat we voor Tiemeijer op een andere manier naar onszelf moeten kijken.

“Vanouds zien we de mens graag als de autonome auteur van zijn eigen leven. Bij elke keuze waarvoor hij zich gesteld ziet bepaalt hij kalm en weloverwogen welke richting hij zal inslaan. Dat is een mooi en geruststellend beeld. Helaas klopt het maar ten dele. Vaak blijken we juist heteronoom, dat wil zeggen, dat ons gedrag de resultante is van factoren in onze omgeving. De mens is als een kanovaarder. Hij wordt meegevoerd op een continue stroom van stimuli in zijn fysieke en sociale omgeving, die vaak onbewust zijn gedrag beïnvloeden. Natuurlijk is het wel mogelijk om de koers enigermate bij te sturen, zeker voor de geoefender kanovaarder, maar de mogelijkheden daartoe zijn begrensd. Hoe groter de vermoeidheid, hoe meer de loop van het water bepaalt waar hij uitkomt (Tiemeijer, 2010, p. 91)”.

Al dit soort onderzoeken dragen zo bij aan de twijfel aan het vermogen van de mens om te kiezen. Er is ook een andere ingang in de discussie over kiezen. Deze ontdekte ik een aantal jaar terug via het werk van empirische filosofe Annemarie Mol. In haar werk combineert ze inzichten uit diverse disciplines, waaronder antropologie, filosofie, medische sociologie en wetenschapssociologie. Daarnaast is ze iemand die het schrijvend experiment niet schuwt (niet om het experimenteren, maar omdat andere manieren van schrijven noodzakelijk zijn om andere manieren van denken over de wereld te laten slagen) en die ook nog eens een heldere taalgevoeligheid heeft die maar weinig filosofen kenmerkt (inclusief mijzelf).

In haar boek ‘De logica van het zorgen. Actieve patiënten en de grenzen van het kiezen’ onderzoekt ze de zorg voor en door mensen met diabetes in Nederland. Ze zet zich af tegen het ideaal van zelf kiezen omdat ‘de praktijk van het kiezen van alles van ons vraagt en vormgeeft aan ons doen en laten op een wijze die niet goed past bij het leven met een ziek lichaam (Mol. 2006, p. 9).

Wel of niet kunnen kiezen – waar Tiemeijer over schrijft – richt zich op dat ene specifieke moment. Maar kiezen, zo laat het werk van Mol zien is meer dan dit ene moment, dit persoonlijke moment. Dat er gekozen moet worden brengt een bepaalde en specifieke ordening of organisatie van de wereld om ons heen met zich mee. Mol twijfelt niet aan de mens, maar aan de wenselijkheid van deze ordening. Of ze wil laten zien dat een andere ordening ook mogelijk is. ‘In plaats van het menselijke vermogen tot kiezen, breng ik hier de praktijk van het kiezen ter sprake. Hoe moeten praktijken eigenlijk worden ingericht willen zich daarin situaties voordoen die om keuzen vragen. In dit boek zal ik laten zien dat aan het ideaal zelf kiezen een hele wereld vast zit: een specifieke manier om met kennis en technieken om te gaan, een welbepaalde voorstelling van lichamen, mensen en hun onderlingen verhoudingen, een wijze om tussen goed en slecht te onderscheiden en ga zo maar door. Mijn twijfel is op heel die wereld gericht, die ik hier de logica van het kiezen noem. Is die wel zo ideaal (…).(p. 15)’ en even verder ‘De term (logica, ms) nodigt uit om te verkennen wat in een zekere context logisch is om te doen en te laten, wat hoort en wat niet pas (p. 17).

De wereld inrichtingen als een wereld vol keuzes is dus geen neutrale keuze, maar een specifieke ordening. De wenselijkheid van die ordening stelt zij heel precies ter discussie. Aan de hand van een gevalsstudie. Die is daarmee niet generaliseerbaar, maar ze sensibiliseert wel. ‘Als we dit hier vinden, weten we niet wat we daar zullen aantreffen, maar we kunnen er wel betere vragen bij stellen (p. 18). Waar Mol het fileermes hanteert, is soms de botte bijl ook een goed instrument om de wereld ter discussie te stellen. Daar heb je andersoortige denkers voor nodig, zoals bijvoorbeeld Michael Sandel.

Sandel is ook zo’n filosoof met een soepele pen. Zijn colleges zijn happenings waar veel mensen op af komen. De laatste jaren ontpopt hij zich ook steeds meer als een publieksfilosoof, iemand die de publieke zaak becommentarieert vanuit een stevige filosofische basis maar met een groot bereik als inzet. In Nederland is hij bekend geworden door zijn boek ‘Niet alles is te koop. De morele grenzen van marktwerking’. Aan de hand van een hele reeks voorbeelden stelt hij vragen bij het ‘loslaten’ van marktmechanismen op steeds meer handelingen. Want zoals hij keer of keer beargumenteert (er zit nogal wat herhaling in zijn werk): de economische idee dat het ‘vermarkten’ van zaken geen invloed heeft de zaak die verhandeld wordt is niet waar.

Daarbij hanteert hij steeds twee kernbezwaren: het eerlijkheidsbezwaar en het corruptiebezwaar. Het eerste draait er om dat er te vaak oneerlijke situaties zijn op een markt – kopers hebben geen gelijke uitgangspunten of mogelijkheden om zich op de markt te begeven – waardoor er, zoals dat dan zo mooi heet ‘geen gelijk speelveld’ is. Dit zou nog opgelost kunnen worden door te sleutelen aan dit speelveld. Hoe kan je door compensatie, beperkingen of andere interventies een gelijk speelveld creëren is dan de vraag. Anders is het bij het tweede bezwaar van Sandel ‘kenmerkend voor het corruptie-argument is dat het niet verdwijnt door simpelweg een eerlijke onderhandelingssituatie te creëren (Sandel, 2012, p. 109). Op het moment dat iets een goed wordt, zo beargumenteert Sandel, verandert het karakter van de zaak die tot goed is gemaakt. En daarmee verdringt het bepaalde normen en waarden die normaal de circulatie van zaken bepaald, zoals bijvoorbeeld altruïsme, vrijgevigheid, solidariteit en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Dit is gevaarlijk, zo stelt Sandel vervolgens, omdat deze zaken als spieren zijn: ze komen door oefening tot bloei en worden sterker. Als we ze dus minder vaak tegen komen, of minder vaak doorslaggevend laten zijn, worden deze ‘spieren’ steeds slapper, wordt het steeds zwaarder om ze een keer wel te gebruiken, wordt dit een bijzondere gebeurtenis en zullen we steeds vaker gebruik maken van hulpmiddelen, in dit geval de markt. De metafoor gaat hier misschien met me op de loop, maar hopelijk snappen jullie het beeld. Doordat we de normen van de markt inzetten worden ze steeds krachtiger en lijken ze steeds natuurlijker. Gelijktijdig worden andere normen daarmee bijzonder en softer. Hun inzet moet je dan beperken tot die momenten dat het er echt op aan komt is dan het idee. Of zoals hij het in een bewerking van dit boek aan het einde bondig opschrijft: ‘hoe meer de economische denkwijze invloed krijgt in het sociale en maatschappelijke leven, hoe meer het marktdenken verweven raakt met morele opvattingen (Sandel, 2016, p. 52).

Tiemeijer, Mol en Sandel laten samen zien dat kiezen voor kiezen een keuze is. Een keuze die kosten met zich meebrengt waarvan we ons steeds moeten afvragen of we die moeten willen. Of dat we toch een andere keuze moeten maken. De keuze is aan ons.

 

Literatuur

Annemarie Mol (2006) De logica van het zorgen. Actieve patiënten en de grenzen van het kiezen, Amsterdam, Van Gennep

Michael Sandel (2012) Niet alles is te koop. De morele grenzen van marktwerking, Utrecht, Ten Have

Will Tiemeijer (2011) Hoe mensen keuzes maken. De psychologie van het beslissen, Amsterdam, Amsterdam University Press